Bossen

Verschillende bostypen

Auteur: Werner Schubert
Auteur: Werner Schubert

In veel gebieden bestaat Zuid-Westfalen van nature uit bos

Toen na de laatste ijstijd het klimaat warmer en vochtiger werd, kregen ook de boomsoorten langzaam maar zeker weer voet aan de grond. Op diverse locaties ontwikkelden zich zeer verschillende bosgemeenschappen. Eiken vormden op verschillende bodems gemengde loofbossen met iepen, linden, essen, esdoorns, berken, grove dennen en ook met elzen. De beuk is pas vanaf ongeveer 3000 v.Chr. weer naar Midden-Europa gekomen. Door zijn grote concurrentiekracht is de beuk in grote delen van Midden-Europa de dominerende boomsoort geworden en drong hij de eikenbossen terug naar gebieden die voor de beuk minder optimaal waren.

Voordat mensen zich vestigden waren er echter ook al landschappen zonder bossen, zoals venen, brede riviervlakten met zand- en grindbanken en door bevers geschapen, boomvrije dalen. Tarijke grote planteneters zoals eland, edelhert, wisent en oeros schiepen in hun leefgebied eerder een halfopen landschap.

Terwijl de bossen in de 18e en 19e eeuw door brandhoutwinning, mijnbouw en het hoeden van vee in het bos nagenoeg verwoest waren, werd er in de 19e eeuw op grote schaal herplant. De snelgroeiende sparren domineerden nu de bossen, de nadruk lag op de houtproductie. Ook tegenwoordig nog bedekken grote sparrenbossen het Süderbergland. Men heeft intussen echter erkend dat zulke monoculturen bijzonder gevoelig zijn voor plaagdieren en storm. Zuid-Westfalen ligt in het centrum van het verspreidingsgebied van de alleen in Midden-europa voorkomende beukenbossen. Op de Rothaarkamm groeien op zure, voedingsarme bodem de soortenarme veldbies-beukenbossen. Van de loofbossen heeft dit type het grootste gebiedsoppervlakte in Zuid-Westfalen. Op kalkhoudende bodem wordt het kalk-beukenbos aangetroffen met een bijzonder soortenrijke kruidlaag. Op droge standplaatsen groeien wintereikenbossen. Door het open kronendak is er meer licht in deze bossen.

Ooibossen begeleiden de rivieren en beken. Veen- en broekbossen daarentegen domineren op standplaatsen met een permanent hoge grondwaterstand.

Op ontoegangelijke, steile hellingen met een dunne bodemlaag, hebben zich ravijnbossen gevestigd. Daar waar slechts weinig zonlicht doordringt, heerst lokaal een koel en vochtig klimaat.

Hakhoutbossen zijn zeldzaam geworden getuigen van een historische vorm van bosgebruik. Regelmatig, iedere 15-30 jaar, werd daar hout geoogst waarbij de bomen op stam werden gezet, dat wil zeggen boven de wortels afgezaagd. Zo ontstond een bijzonder structuurrijk en soortenrijk type bos, dat tegenwoordig bijzonder interessant is voor de natuur.

Ooibossen

Direct aan het water

Beukenbossen

Een bijzondere verantwoordelijkheid

Broekbossen en veenbossen

Bossen met een bizar uiterlijk op permanent natte standplaatsen

Ravijnbossen

Steil, koel en vochtig

Hakhoutbossen

Traditioneel bosgebruik

Eikenbossen

Veterane bomen