Geologie

De landschappen en hun ontstaan

De landschappen en hun ontstaan

De huidige landschappen van Zuid-Westfalen zijn het resultaat van een ontwikkeling die miljoenen jaren geleden in gang is gezet. Processen diep in het binnenste van de aarde zijn ook tegenwoordig nog drijvende krachten achter veranderingen in de aardkorst, die als het ware op de hete, viskeuze magma van de aardmantel drijft. In de loop van de geschiedenis zijn complete landstreken omhoog gekomen en op andere plekken afgezonken. Zeeën zijn ontstaan en verdwenen weer.

400 miljoen jaar geleden -  het devoon

Het berggebied van Zuid-Westfalen behoort tot het Rijnlands leisteenplateau en is geologisch zeer oud. Het gesteente hier bestaat hoofdzakelijk uit sedimenten, die 400 miljoen jaar geleden, ook tijdens het devoon, in een zee zijn afgezet. Afhankelijk van het stroomgebied, de zeediepte en de afstand tot de kust, vormden zich van elkaar verschillende afzettingen waaruit de huidige gesteentes zoals zandsteen (bijvoorbeeld grauwacke), kleisteen en leistein ontstaan zijn. Zelfs koraalriffen konden zich in de ondiepere zeegebieden ontwikkelen, en zijn terug te vinden in de huidige kalklagen, de zogeheten "massenkalk"-gebieden. Zulke gebieden zijn bijvoorbeeld te vinden in de Attendorn-Elsper Doppelmulde, de Iserlohner Kalksenke evenals in het gebied van de Warsteiner en de Briloner hoogvlaktes. In het droge gesteente hebben zich grote grotten gevormd, hier en daar met spectaculair druipsteen, zoals de bekende Attahöhle bij Attendorn.

360 miljoen jaar geleden - in het carboon

In het carboon was het gebied van het Rijnlands leisteenplateau nog onderdeel van een zee. In deze tijd werden kalkhoudende sedimenten afgezet, die tegenwoordig overwegend aan de noordrand van het Rijnlands leisteenplateau op enkele stukken in de vorm van aluinleisteen, radiolariet en "kieselkalken" naar voren komen.

Door het dichterbijkomen van het zuidelijke continent 300 miljoen jaar geleden kwam het tot een versmalling van de zee, waarbij de steenlagen samenschoven en deels in elkaar gevouwen werden. Waar fijnkorrelige gesteentes onder hoge druk kwamen te staan, ontstonden de in dunne platen uit elkaar vallende leigesteentes, die het gebergte zijn naam gaven.

In de omgeving van Bad Berleburg is het dit leistein wat werd ontgonnen, en wat voor daken wordt gebruikt. De steen- en bruinkoollagen van het aangrenzende Ruhrgebied in het noorden zijn vooral in de latere perioden van het carboon, 290 miljoen jaar geleden, gevormd. In deze tijd gedijden in de kuststreken uitgestrekte moerasbossen, die door de telkens terugkerende zeeoverstromingen onder sedimenten werden begraven en uiteindelijk tot kool versteenden.

90 miljoen jaar geleden - het krijt

Tijdens het krijt, 90 miljoen jaar geleden, waren grote delen van het huidige Kreis Soest nog steeds door een zee bedekt. Hier zetten zich zanderige en modderige sedimenten af, die in miljoenen jaren tijd tot steen veranderden. De tegenwoordige kalksteen, mergelsteen- en kalkzandsteenlagen ontstonden. In de steengroeves in het Kreis Soest kan men tegenwoordig nog de fossielen van de toen in de zee levende dieren vinden. In deze kalksteenlagen hebben zich de slechts periodiek watervoerende dalen, de zogeheten droogdalen, ingesleten. In tijden met geringe neerslag stroomt het water hier onderaards door poreus kalksteen.

Alleen in de winter of bij zware regens vervoeren de droogdalen bovenaards water.

Bovenop de lagen uit het krijt zetten zich, komend vanuit het noorden, waterondoorlatende lagen af, bestaand uit het zogeheten "Emscher-mergel". Het vanuit het zuiden komende water stoot hier op deze waterondoorlatende lagen en vormt een lijnbron. Langs deze lijn hebben zich al in de nieuwe steentijd nederzettingsgebieden ontwikkeld en er ontstond een veel gebruikte handelsweg, de Hellweg.

65 miljoen tot 2,6 miljoen jaar geleden - het tertiair

Gesteenten uit het tertiair, wat 65 miljoen jaar geleden begon en 2,6 miljoen jaar geleden eindigde, komen hier bij ons nauwelijks voor. Enkel in het huidige Westerwald heeft een laag vloeibaar basalt de tertiaire landoppervlaktes bedekt en daarmee voor erosie beschermd. In de kleigroeve "Auf dem Kreuz" bij Oberdresselndorf, die aan de rand van de basaltlaag ligt, wordt kaolin (porceleinaarde) ontgonnen. Dit materiaal is door de sterke verwering in het vochtig-warme klimaat van het tertiair ontstaan.

In minder stabiele delen van de aardkorst zijn in de loop van de miljoenen jaren telkens weer vulkaanpijpen ontstaan, waardoor de magma bij vulkanische erupties aan de aardoppervlakte naar boven kwam. Onderzeese vulkaanactiviteit tijdens het devoon is zichtbaar in de omgeving van Kirchhunde, waar over grote oppervlaktes uitvloeiingsgesteenten aan de oppervlakte komen, en die zo unieke rotsformaties zoals de "Albaumer Klippen" gevormd hebben. Ook de Bruchhauser Steine in het Hochsauerlandkreis zijn oude uitvloeiiingsgesteenten uit het carboon (290 miljoen jaar geleden). De basaltheuvel van de Grosser Stein bij Burbach daarentegen komt voort uit onderaards vulkanisme in het neogeen (5 tot 25 miljoen jaar geleden). Door de vulkanische activiteiten konden ook met ijzer en andere mineralen verrijkte verbindingen naar boven komen. Zij kristalliseerden uit en vormden pleksgewijs tot 20 meter dikke lagen ijzererts - de grondstof voor de ijzer- en staalindustrie in het zuidelijke deel van Zuid-Westfalen.

2,6 miljoen jaar geleden - begin van het kwartair

Met het begin van de tijd van het kwartair 2,6 miljoen jaar geleden kwam het tot grote klimatische veranderingen door de overgang tussen koude en warme perioden. Vanuit Scandinavië rukten gletsjers meerdere malen tot aan Zuid-Westfalen op. De zuidgrens van het ijspakket bevond zich ongeveer ter hoogte van het tegenwoordige Möhnedal. Tijdens de laatste ijstijd bleven het Rijnlands leisteenplateau en delen van de aangrenzende laaglanden in het noorden echter vrij van ijs. De spaarzame vegetatiebedekking bood nauwelijks bescherming, waardoor de onbedekte steen- en puinvlaktes volledig aan verwering werden blootgesteld. Op de overwegend vegetatieloze gebieden die vrij van ijs waren, werden fijne deeltjes honderdduizenden jaren lang door de wind weggedragen en in de omgeving van de huidige Hellwegbörde afgezet. De vruchtbare lössbodem van de Börden is daarmee een erfgoed van de ijstijden.

In de zomer ontdooide de permafrostbodem slechts oppervlakkig. Op berghellingen kwam het tot aardverschuivingen en lawines. De met stenen doortrokken bodems in het berggebied zijn het resultaat daarvan. Het vooral uit silicaten bestaande moedergesteente van het Rijnlands leisteenplateau verweerde en verzuurde, en de bodems die daaruit ontstonden zijn relatief voedselarm.

De kalkgebieden in het berglandschap daarentegen vormen voedselrijke, losse bodems met een lage grondwaterstand. De bodem is droger en warmt sneller op. Vanwege hun grotere voedselrijkdom zijn deze gebieden al veel eerder bewoond geweest en gebruikt voor landbouw of veeteelt. De kalkgebieden zijn relatieve warmte-eilanden in het berggebied, die het mogelijk maken voor bepaalde dier- en plantensoorten om zich er te vestigen, buiten hun gesloten verspreidingsgebieden om. De diversiteit van de landschappen van de Westfälische Bucht tot aan het middelgebergte met hun verschillende ontstaansgeschiedenissen vormt de basis voor de rijkdom aan biotopen en dier- en plantensoorten in Zuid-Westfalen.