Landschapsgeschiedenis

Voortdurende veranderingen door menselijke activiteit

De ijstijd

In de voorlopig laatste ijstijd trokken kuddes rendieren, paarden en steppenwisenten rond. Ook mammoet, reuzenhert, wolharige neushoorn en leeuw kwamen voor. Mensen leefden als jagers en verzamelaars. Ongeveer 13.400 jaar geleden stegen de temperaturen binnen enkele decennia voortdurend. 11.700 jaar geleden was de ijstijd helemaal voorbij.

Na de ijstijd

Met het einde van de ijstijd werd het warmer en vochtiger. Berken, dennen, wilgen en populieren breidden zich uit. Andere boomsoorten trokken op en er ontstond een lichter loofbos. Veel grote diersoorten waren aan het begin van het holoceen verdwenen. De overblijvende kuddes oerrunderen, wisenten, wilde paarden en edelherten hebben waarschijnlijk een merkbare invloed op het landschap gehad. Voornamelijk op voedselrijke bodems ontstonden veelzijdige mozaïeklandschappen bestaande uit grasvlaktes, doornige struiken en bossen. In de beek- en rivierdalen werd het landschap deels gevormd door de bever. Mensen hebben in deze tijd bijna alle landschapsgebieden van Zuid-Westfalen gekoloniseerd, maar de bevolkingsdichtheid was klein en permanente nederzettingen waren er nog niet.

De mens vestigt zich permanent

Vanuit het oosten bereikten migrerende landbouwers rond 5500 voor Christus uiteindelijk ook Westfalen en streken neer op de vruchtbaarste grond. De vroege landbouw had reeds beduidende invloed op de natuur. Boskap en bosweides openden het bos in de omgeving van de dorpen. De nederzettingen bestonden meestal slechts enkele tientallen jaren, werden dan opgegeven en ergens anders opnieuw opgericht. Dit bood voor sommige planten die voorheen zeldzaam waren plotseling nieuwe leefomgevingen. Twee daarvan waren zo algemeen, dat ze uiteindelijk in gebruik werden genomen en cultuurplant werden, namelijk rogge en haver.

Ongeveer tegelijkertijd met de landbouwers verscheen een nieuwe boomsoort: de beuk. Beuken zijn sterke concurrenten. In de loop der tijd verdrongen ze het soortenrijke gemengde loofbos van veel groeiplaatsen. Enkel bijzondere standplaatsen -zoals ravijnen, voedselarm zand of vochtige bodem- bleven voor de andere bosgemeenschappen over.

De landbouw beperkte zich in Westfalen over het algemeen tot het vlakke land; het middelgebergte bleef een slechts sporadisch door mensen gekoloniseerde wildernis.

Rond het begin van onze jaartelling

In de eeuwen voor het begin van onze jaartelling kreeg het ijzer in toenemende mate een grotere betekenis. Het smelten van erts vereiste grote hoeveelheiden houtskool. Kolenbranderijen bedreven intensief hakhoutbeheer, en er ontstonden uitgestrekte hakhoutbossen. Hierdoor werden beuken zeldzamer en de minder gevoelige haagbeuken en eiken algemener. Reeds voor het jaar 100 v. Christus zijn er aanwijzingen voor houttekorten in Siegerland. Regionaal stopten de ijzersmelterijen dan ook, ondanks dat er meer dan voldoende erts aanwezig was.

Pas toen bereikte de landbouw in het middelgebergte een noemenswaardige omvang. Rond het jaar 1200 waren uiteindelijk Sauerland, Siegerland en Wittgenstein overal door landbouw gekoloniseerd. Terwijl in het huidige Kreis Soest in de middeleeuwen grote delen van de Haarstrang en Börde reeds open landbouwgebied waren, domineerde in het Süderbergland nog steeds het bos. Akkers en weiden kwamen daar in ongeveer dezelfde omvang voor als tegenwoordig.

De middeleeuwen

De late middeleeuwen aan het eind van de 14e tot in de 15e eeuw brachten een korte periode van rust voor de natuur. Het teruglopen van het bevolkingsaantal door oorlogen, hongersnoden en pestepidemieën leidde tot het opgeven van talloze nederzettingen. Maar de bevolking groeide al snel weer. Het intensieve gebruik van het landschap omvatte tot het einde van de middeleeuwen rond het jaar 1500 akkerbouw, veehouderijen inclusief varkenshoederij in de bossen, hooiweides, imkerijen, het rooien van hout, het oogsten van eikenschors voor het looien van leer, stro en plaggen, en daarnaast het mijnen van erts. Rivieren en grotere beken waren in de buurt van nederzettingen gestuwd ten behoeve van watermolens en visvijvers. Bijzonder begeerde grondstoffen werden uitgebuit totdat ze bijna verdwenen waren.

Het bemesten van de velden was belangrijk en werd met fantasievolle methodes toegepast. De veestallen werden bestrooid met loof of met andere niet bruikbare plantendelen, vaak gebruikte men ook uitgestoken delen van de bosbodem met zijn vegetatie, de plaggen. Gemengd met mest en urine van de huisdieren kwam het strooimengsel dan op de velden. Een specialiteit van Siegerland waren de "Hauberge". Men kapte het hout, en brandde dan de velden af voor bemesting. In de as werd rogge gezaaid. Na één tot twee oogsten mocht het vee enkele jaren geweid worden, waarna men de uitlopers van de boomstronken ongestoord liet groeien tot de volgende houtoogst en de cyclus weer opnieuw begon. In de 18e en 19e eeuw werd het bos in Zuid-Westfalen uiteindelijk door roofbouw "verwoest": Sauerland, Siegerland en Wittgenstein waren over grote delen kaalgekapt, enorme heidevelden met jeneverbessen, berken, brem en blauwe bosbes strekten zich uit over het heuvelachtige landschap. In het "verwoeste" landschap gedijden enkele tegenwoordig zeldzame soorten zoals orchideeën en europese trollius. Auerhoen en korhoen kwamen veelvuldig voor, de zwarte specht daarentegen was bijna verdwenen. Slecht verging het de grote dieren. In 1745 werd de laatste Lynx van Westfalen in het Rothaargebergte afgeschoten, in 1839 de laatste wolf bij Schüllar, in 1868 de laatste bever aan de Möhne. Het edelhertenbestand was in de 19e eeuw vernietigd, op kleine resten in Berleburg en in het Arnsberger Wald na.

De 19e eeuw

In de 19e eeuw kwam het uiteindelijk tot intensieve herberbossingen, voor een groot deel met de snel groeiende, maar niet inheemse spar. Er ontstonden de heden ten dage nog typisch scherpe grenzen tussen bos en open land. Dorpen en steden groeiden, in de 20e eeuw werden meerdere stuwdammen gebouwd, naast wegen en andere infrastructuur. Kalkafgraving vindt plaats in enorme steengroeves in de Haarstrang, de Briloner Hoogvlakte en aan de Hönne.

Het landschap van Zuid-Westfalen heeft zich aldus in de laatste paar duizend jaar voortdurend veranderd; hoofdoorzaak was de activiteit van de mens. De oplettende waarnemer vindt echter ook getuigen uit de verschillende tijdperken die de tijden overleefd hebben of die door natuurbeschermingsmaatregelen weer hersteld zijn zoals droge graslanden, kleine venen, weidelandschappen, beuken-kathedraalbossen, knotbomen, vrij meanderendere rivieren, graslanden met europese trollius, hakhoutbossen en bergheides. En -wie had dat kunnen denken- zelfs de bever en de wisent zijn er weer.