26 Luerwald und Bieberbach - Luerwald en Bieberbach

De uitgestrekte beukenbossen en gemengde eikenbossen met hun talrijke bosbeekjes vormen een bijzonder vrijwel natuurlijk en soortenrijk leefgebied dat van grote betekenis is voor vogels.

Doodhout in het Luerwald (Heinrich König)
Doodhout in het Luerwald (Heinrich König)

Uitgestrekte loofbossen

Tussen Menden en Neheim, ten zuiden van de kromming van de Ruhr, ligt het Luerwald met het Biebertal (letterlijk: beverdal). Het Luerwald omvat een gebied van meer dan 25 vierkante kilometer en ligt op een hoogte van 200 tot 300 meter boven zeeniveau. Het gebied is vrijwel onbewoond. Onaangetaste, vrij meanderende beken kronkelen door de uitgestrekte, halfnatuurlijke beuken- en eikenmengbossen op zure bodem. Nu zijn er nog honderden hectares sparren verspreid door het gebied aanwezig, maar in de toekomst zullen die ook duurzaam worden omgezet in loofbos. Langs het water groeit meestal een zoom van berken- en essenbossen. Het met het Luerwald nauw verbonden Bieberbachtal bestaat vooral uit weiden en grasland. In de omgeving van de brongebieden en de naburige Dombkebach groeien soortenrijke walstro-beukenbossen. Luerwald en Bieberbach zijn Habitatrichtlijngebied en Europees vogelreservaat. De natuurlijke staat, de grootte en geslotenheid maken het gebied bijzonder- vooral voor vogels.

Veeleisende soorten in bos, grasland en water

Typische vogelsoorten voor dit gebied zijn de soorten van halfnatuurlijke bossen zoals zwarte ooievaar, raaf, ijsvogel, middelste bonte specht en grijskopspecht. De broedpopulaties van middelste bonte specht en grijskopspecht zijn de belangrijkste van de deelstaat. De grijskopspecht zoekt graag op de grond naar voedsel, vooral mieren en hun eitjes, om aan zijn jongen te voeren. Met name bosmieren zijn bij grijskopspechten zeer geliefd. Maar hij zoekt ook achter boomschors naar insecten. Daarom is hij minder afhankelijk van open gebied met weidemieren dan zijn verwant, de groene specht. De groene specht heeft bijzonder te lijden onder het verlies aan boomgaarden en de afnemende weidegang van het vee; beide verschijnselen leiden ertoe dat het aanbod aan insecten in het open landschap dramatisch is afgenomen. De middelste bonte specht daarentegen is een echte bosbewoner. Oude eiken zijn ideaal voor deze vogel: dan komen zijn lange tong en verhoudingsgewijs dunne snavel goed van pas. Zo vindt hij ook nog in de winter larven en spinnen, die in de spleten van de grove schors overwinteren. Bij het vrijhakken van de prooi is hij iets minder ijverig dan de grote bonte specht of de zwarte specht. Zo heeft iedere soort door te specialiseren een ecologische niche gevonden, met eigenschappen die onmisbaar zijn om te overleven.

In het water leven veeleisende soorten als beekprik en Cottus gobio (een soort donderpad). Kamsalamanders komen ook voor. Met een beetje geluk kun je in de bossen is het vliegend hert zien, een zeldzaamheid in het Sauerland. Alleen de mannetjes hebben de typische, grote "geweien", die ze nodig hebben om met elkaar om de vrouwtjes vechten.

Het vliegend hert is afhankelijk van oude eikenbomen, want de larve van het vliegend hert heeft lichte, warme bossen nodig. Op deze breedtegraad zijn dat meestal eikenbossen. De larven voeden zich met verrot, vochtig hout. Pas na vijf, soms ook pas na tot acht jaar verpoppen de larven zich tot volwassen kever. Massieve, zonovergoten eiken zijn optimaal voor veel grote, zeldzaam geworden houtkevers. Hier komen bij de zomer- en wintereik nog keversoorten voor als eikenboktor, heldenbok, lederboktor en klein vliegend hert- allemaal prachtig en groot vergeleken met de meeste andere inheemse keversoorten.

Om geslachtsrijp te worden hebben veel soorten boomsap nodig, wat bepaalde schimmels bevat. Het sap vinden ze in wonden op de boom die zijn ontstaan bij vorstschade, stormschade of blikseminslag.

Contact: Märkischer Kreis e. V.