Beukenbossen

Een bijzondere verantwoordelijkheid

Auteur: Antonius Klein
Auteur: Antonius Klein

Wijd verbreid en toch het beschermen waard

De belangrijkste boomsoort in het beukenbos, de beuk, kenmerkt zich door de diepe schaduw die hij werpt. Daardoor heeft hij een groot concurrentievoordeel ten opzichte van andere boomsoorten. Hun kiemplanten kunnen goed omgaan met slechte lichtomstandigheden maar ook zij hebben gaten in het kronendak nodig om blijvend te gedijen.

Veel van onze beukenbossen zijn zogenaamde kathedraalbossen. Dit zijn structuurarme bosbestanden met alleen een boomlaag, die ontstaan zijn door bosbouw. Beuken van ongeveer 30 meter hoog rijzen als zuilen omhoog, meestal dragen ze pas bebladerde takken op een hoogte van ongeveer 15 meter. Door het dichte, gesloten kronendak dringt in de zomermaanden slechts weinig licht door, zodat daaronder bijna geen ondergroei van struiken of kleine bomen kan ontstaan. Op de bodem gedijen slechts weinige, aan de donkere omstandigheden aangepaste mossen, kruiden en heel vaak talrijke soorten paddenstoelen.

De oude beuken van een kathedraalbos worden door talloze diersoorten bewoond. Door spechten in staand dood hout gehakte broedholen worden later ook door andere vogelsoorten als nestholte gebruikt, zoals de holenduif en de ruigpootuil. Ook zoogdieren, zoals relmuis, eekhoorn, boommarter en verschillende vleermuissoorten gebruiken deze holen als winter- of zomerkwartier.

Natuurlijke beukenbossen laten een mozaïek van bomen in verschillende ontwikkelingsfasen zien, dus zowel oude en afstervende, alsook jonge bomen, en een gelaagdheid in kruid-, struik-, en boomlaag. Op voedselarme, zure bodem groeit het veldbies-beukenbos. Zuurverdragende soorten, zoals de  naamgevende witte veldbies en de witte klaverzuring, bevinden zich in de ondergroei.

Het walstro-beukenbos heeft een voorkeur voor voedselrijkere standplaatsen. In het voorjaar vindt men hier vaak een rijkbloeiende kruidlaag van voorjaarsbloeiers, zoals bosanemoon, bolletjeskers of lievevrouwebedstro.

De kalkbeukenbossen komen alleen voor op kalkhoudende bodem met een dunne bovenlaag. Meestal zijn dat steile hellingen. Deze bodems zijn warm en relatief droog. De boomlaag is niet zo dicht, daarom zijn hier de struik- en kruidlaag meestal zeer soortenrijk. Vaak zijn deze bossen rijk aan orchideeën. Dit bostype komt in Zuid-Westfalen alleen voor in Hochsauerlandkreis en in het Kreis Olpe.