Ooibossen

Direct aan het water

Gekenmerkt door overstromingen

Met ooibossen worden bossen bedoeld op standplaatsen die regelmatig overstroomd worden. De hardhoutooibossen worden alleen gevormd in de grote riviervlakten. Zij ontstaan bij kortdurende en sporadische overstromingen op grotere afstand van de rivier. De meest voorkomende boomsoorten zijn hier zomereik, es en gewone esdoorn. Daar waar de overstromingen vaker optreden en langer aanhouden, ontstaan de zogenaamde zachthoutooibossen. Zachthoutooibossen zijn meestal opgebouwd uit elzen- en wilgensoorten. In Zuid-Westfalen zijn er alleen nog restanten halfnatuurlijke hardhout- en zachthoutooibossen, vooral in de Lippeaue in het Kreis Soest.

Langs stroompjes en beekjes ontstaan beekbegeleidende elzen-essenbossen. Dit bostype is in het middelgebergte van Zuid-Westfalen langs min of meer natuurlijke beken nog regelmatig behouden gebleven. Langs de beekoever groeien zwarte elzen en essen in de vorm van een galerij; soms sluiten zich daar wilgen, populieren en iepen bij aan. Essen en vooral zwarte elzen zijn in staat om ook langdurige overstromingen zonder schade te doorstaan.

Met hun krachtige wortels houden vooral de zwarte elzen de oeverzone van de beek bijeen, en beschermen zo bij hoogwater de oevers tegen verdere erosie. Bij middelhoge waterstand remmen de bomen de stroming af, zodat de in het water zwevende deeltjes als sediment kunnen worden afgezet. Hierdoor zijn de bodems van beekdalen en riviervlakten zeer vruchtbaar.

Daar waar boomwortels in het water steken, komt door wervelingen extra zuurstof uit de lucht in de beek. Met hun weelderige kronendak beschaduwen de beekbegeleidende bossen de beekloop, het water blijft zo ook in de zomer koel en zuurstofrijk. Dit is voor enkele beekbewonende soorten, zoals bijvoorbeeld steenvlieglarven, trilhaarwormen en beekforellen, van groot belang. De boomwortels aan de oever bieden daarbij beschutting aan waterdieren en broedmogelijkheden voor vogels als de waterspreeuw of de grote gele kwikstaart.